VDL De Meeuw in de media: Cobouw Prefab

In de recente uitgave van Cobouw Prefab legt onze managing director en voorzitter van Modulair Nederland Bram van Rijt uit waar de vertraging en stagnatie in de (industriële) bouw echt vandaan komt. De schaalbare industriële bouwcapaciteit staat in de startblokken, maar de feitelijke productie wordt nu sterk bepaald door de grillen van procedures voor planontwikkeling vooraf ... . Bron: Cobouw Prefab nr. 5 2026 | Tekst: Yvonne Ton | Beelden: Dolph Cantrijn

Omslagafb art Cobouw Prefab website NEW

‘Bouwen met pieken en dalen’

Er is duidelijk vraag naar prefab woningen, maar toch staan de woonfabrieken nog te vaak leeg. Net als traditionele aannemers hebben ook de industriële bouwers last van trage gebiedsontwikkeling en allerlei onzekerheden in het traject voorafgaand aan de bouw. Dus blijft het voorlopig “hollen of stilstaan”.

22564e36-9efb-4b6b-837a-be4bd867e9b2


Aan ambities ontbreekt het de grote industriële bouwers niet, maar het lukt nog lang niet altijd om ze te realiseren en de fabrieken constant gevuld te houden. Dat ligt bij VDL De Meeuw in Oirschot zeker niet aan de vraag. “Die is hoog en de leadlijst is goed gevuld”, zegt Bram van Rijt, directeur van VDL De Meeuw en tevens voorzitter van Modulair Nederland, de branchevereniging voor modulaire industriële bouwers. “De vraag materialiseert zich met grote pieken en dalen tot uiteindelijk productie.”

Waar het bedrijf tegenaan loopt is dat zijn woningen weliswaar in korte tijd geproduceerd kunnen worden, maar dat het hele ontwikkelingsproces dat eraan voorafgaat helemaal niet snel is door allerlei hobbels op de weg. En daar hebben de industriële bouwers net als hun traditionele collega’s mee te maken. Van Rijt: “Alle onzekerheden in gebiedsontwikkeling zijn de oorzaak van de pieken en dalen bij een industriële bouwer. Het werk is moeilijk, of eigenlijk niet planbaar door de complexe keten die eraan voorafgaat.” Erkende kwaliteitsverklaringen (EKV) of typegoedkeuringen gaan niet zorgen voor substantiële versnelling, meent hij. Hooguit scheelt het om een aantal weken eerder een technische bouwvergunning te krijgen. Afgezet tegen een jarenlange gebiedsontwikkeling zet dat volgens hem geen zoden aan de dijk. Wat vooral sneller moet, is het ruimtelijk deel van het ontwikkelproces. EKV’s zijn overigens wel een goed middel om de werklast bij de rijksoverheid te reduceren, stelt Van Rijt.


‘Veelkoppig monster’

Dat planvorming in Nederland zo lang duurt, is volgens hem “een veelkoppig monster”, dat niet zo makkelijk te bestrijden valt. Maar het zou al jaren schelen als we erin slagen om de doorlooptijd met de helft te bekorten, stelt hij. “Dan komen projecten sneller en meer voorspelbaar naar de fabrieken en verklein je tegelijkertijd de kans dat er veranderingen optreden. Dus die doorlooptijd moet echt korter.”

Overigens is Van Rijt voor VDL De Meeuw optimistisch over 2026. Na het “magere” voorgaande jaar met 344 gerealiseerde woningen – deels door vertraagde projecten – zit de productie nu weer in de lift en verwacht hij aan het einde van het jaar ongeveer 1.250 modulaire woningen te hebben geproduceerd. Dan gaat het om woningen, maar ook bijvoorbeeld om huisvesting voor asielzoekers. Daarmee zou VDL De Meeuw uitkomen op de helft van de huidige maximale capaciteit.
De ervaringen van VDL De Meeuw zijn illustratief voor het algemene beeld dat adviesbureau Roland Berger begin dit jaar schetste in een onderzoek naar gerealiseerde fabriekswoningen in 2025. De uitkomsten, gebaseerd op de antwoorden van ruim veertig prefab bouwers, laten zien dat gemiddeld 45 procent van de productiecapaciteit benut werd en dat er vorig jaar 14.700 woningen geprefabriceerd werden: een groei van 8 procent. Als die stijgende lijn zich voortzet, verwacht Roland Berger dat in 2030 30 tot 40 procent geheel of deels uit de fabriek komt. Dat percentage ligt lager dan de 50 procent industrieel geproduceerde woningen die het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) als ambitie heeft voor nieuwbouwwoningen.

Gezien de nog onbenutte productiecapaciteit denkt VDL De Meeuw nog niet aan uitbreiding. Althans, niet door nieuwe of extra fabrieken of uitbreiding van het aantal ploegen (nu één in een dagdienst), wel in de hoeveelheid klanten. Verbetering gebeurt dagelijks. Van Rijt: “We doen ook heel veel aan innovatie om meer te kunnen maken met een 3D modulair gebouwd product. We kijken bijvoorbeeld naar hoogbouw hebben vorig jaar een platform volledig met biobased materialen gelanceerd. De uitbreiding zit vooral in veel verschillende dingen kunnen maken.” In Oirschot heeft VDL De Meeuw twee productiehallen. In de ene hal worden woningen geproduceerd uit traditionele bouwmaterialen, in de andere de nieuwe biobased variant. De halffabricaten die eerst van de band rolden in de hal waar nu de biobased woningen geproduceerd worden zijn verhuisd naar een andere VDL-locatie.


Productiehuis voor derden

Groeikansen liggen er ook in de productie voor derden, zoals voor het nieuwe bedrijf Green Structures Group dat houten rug-aan-rug woningen op de markt brengt. Eerder dit jaar kondigden beide bedrijven hun samenwerking aan. “Als VDL De Meeuw hebben wij ervoor gekozen om vooral een productiehuis te zijn voor derden.” Daarmee onderscheidt het bedrijf zich van andere grote modulaire bouwers, zegt hij. Van Rijt schat dat dit jaar zo’n 20 procent van de omzet zal bestaan uit productie voor derden. “Dat wordt de komende jaren meer.” Het gaat op dit moment om zes partijen waarvoor VDL De Meeuw, waaronder naast Green Structures ook bijvoorbeeld WIJK, een ontwikkeling van Blauwhoed, de productie voor rekening neemt.

Vanuit zijn rol als voorzitter van Modulair Nederland hamert Van Rijt vooral op de doelstellingen van het meerjarenprogramma Innovatie en Opschaling Woningbouw (IOP). “Zorgen dat het traject voorafgaand aan de start van de bouw gestroomlijnder en efficiënter is en voorspelbaarder wordt.” Onderdeel is ook dat de voorzitter nog steeds vecht tegen vooroordelen die bij sommige opdrachtgevers nog steeds leven over dat de kwaliteit van industriële woningen minder zou zijn dan traditioneel gebouwde. “Daar zit vooral de lobby.”

Aanbestedingen waarin uitsluitend gevraagd wordt om prefab woningen ziet Van Rijt nog zelden, maar dat verbaast hem niet. “Je wilt op kwaliteit aanbesteden en niet op een uitvoeringsvorm. De voordelen van industrieel produceren, zoals snelheid en een hogere kwaliteit, zou je in aanbestedingen wel beter mogen waarderen.” Als tenders wel uitgaan van industriële woningen, dan merkt Van Rijt dat traditioneel georiënteerde opdrachtgevers het lastig vinden om de kansen van zo’n product goed te benutten. Dan wordt er bijvoorbeeld gevraagd om details die afwijken van het standaardproduct of er worden eisen gesteld die voor fabrieksmatige productie kostenverhogend werken.


Kentering

Hoewel de groei van het aandeel prefab woningen langzamer gaat dan de overheid zou wensen, voorziet Van Rijt op een gegeven moment wel een kentering. De voornaamste reden: het tekort aan bouwpersoneel. “Conventionele bouwers zullen moeilijk hun prijzen kunnen handhaven de komende jaren en niet de capaciteit halen op een gegeven moment wel nodig zal zijn. De wal zal het schip keren. Wanneer dat precies gaat gebeuren? Ik verwacht na 2030. Je zult zien dat de verandering pas echt komt als het niet anders kan.”
Tot die tijd blijft het waarschijnlijk “hollen of stilstaan”. De komende tijd is VDL De Meeuw van plan veel energie te steken in de contacten met gebiedsontwikkelaars. Uiteindelijk zitten zij aan de knoppen van het ontwikkelproces en moeten zij vertrouwd raken met de voordelen die industrieel bouwen biedt. Die inspanningen moeten er immers voor zorgen dat de fabriek ook over een paar jaar goed gevuld blijft.


Cobouw Prefab 5 – 2026